Ambacht is cooler dan industrieel ontwerp, en dat merk je in de winkel

Handen van een meubelmaker die met een beitel aan een houten onderdeel werkt

Handgemaakt, ambachtelijk, bespoke, in kleine series geproduceerd. Wie de laatste tijd een meubelwinkel of een designbeurs binnenloopt, krijgt die woorden in een halfuur vaker te lezen dan in het hele vorige decennium. Dezeen schreef er gisteren een stevig stuk over, waarin Debika Ray de conclusie trekt dat ambacht de designwereld heeft overgenomen terwijl industrieel ontwerp zijn glans is kwijtgeraakt. Dat is niet alleen een discussie voor curatoren en beurshallen, want het bepaalt heel concreet wat er straks in het schap staat.

Hoe hard die omslag is gegaan

De cijfers uit dat artikel zeggen genoeg. London Craft Week trekt inmiddels ongeveer 250.000 bezoekers per jaar, waar dat tien jaar geleden nog rond de 35.000 lag. Ter vergelijking, het veel grotere London Design Festival kwam in 2025 op 475.000 bezoekers. Ambacht is van een nichehobby naar bijna dezelfde schaal gegroeid als het hoofdevenement.

Modehuizen zagen die beweging vroeg aankomen. Loewe richtte in 2016 een ambachtsprijs op met een prijzenpot van 50.000 euro, en merken als Hermès en Gucci vullen hun aanwezigheid op designweken tegenwoordig vooral met handwerk in plaats van met productpresentaties. Guy Salter, die London Craft Week oprichtte, is ervan overtuigd dat dit blijft omdat het volgens hem op meer rust dan mode alleen. Bethan Laura Wood, die zelf in beide werelden werkt, zet daar tegenover dat publieke belangstelling een slinger is die heen en weer gaat tussen minimalisme en maximalisme, en dat de Arts and Crafts-beweging ook al een reactie op de industriële revolutie was.

Wat je ervan terugziet in de winkel

Het eerste is de afwerking. Waar meubels tien jaar geleden zo glad en uniform mogelijk moesten zijn, zie je nu zichtbare draaigroeven in een poot, een glazuur dat per stuk anders uitpakt en textiel met een onregelmatige structuur. Dat is geen slordigheid maar een keuze, en fabrikanten die volledig machinaal produceren bootsen het inmiddels na. Daar zit meteen het eerste risico voor de koper, want een gefreesde textuur die uit een machine komt kost niets extra en verkoopt wel als ambachtelijk.

Het tweede is het verhaal op het kaartje. Pavel Klimczak, die de designwinkel Monologue London runt, merkt dat klanten binnenkomen voor het ontwerp en binnen een paar minuten vragen waar iets gemaakt is, door wie, hoe en waarom. Dat is een gezonde ontwikkeling. Ik merk het in mijn eigen inbox ook, want de vragen gaan steeds vaker over herkomst en steeds minder over welke kleur in de mode is.

Het derde is de levertijd en de oplage. Kleine series betekenen wachten, soms maanden, en ze betekenen ook dat je over vijf jaar geen tweede exemplaar bij kunt kopen. Voor een fauteuil is dat prima. Voor eetkamerstoelen waarvan je er ooit twee wilt bijzetten, is het een reden om even na te denken. Het maakt zulke stukken wel makkelijker te combineren met wat je al hebt, en hoe je dat doet zonder dat je huis een verzameling wordt, staat in ons stuk over meubels uit verschillende periodes.

Handgemaakt is geen keurmerk

Dit is het deel waar ik het meest aan hecht. Ontwerper Lara Bohinc, die jarenlang met industriële merken werkte en nu zelf met klei werkt, zegt het in Dezeen onomwonden. “Just because it’s handmade doesn’t mean it’s angelic.” Ze wijst erop dat we sowieso in producten verdrinken en dat er te veel merken, te veel stoelen en te veel bedden zijn.

Er is ook hard bewijs voor die scepsis. Tussen 2023 en 2026 kwamen modehuizen als Armani, Dior en Valentino in Italië onder gerechtelijk toezicht te staan nadat onderzoek uitwees dat productie was uitbesteed aan illegale werkplaatsen, waar ongedocumenteerde migranten onder uitbuitende omstandigheden werkten aan zogenaamd ambachtelijke producten. Het woord ambachtelijk zegt dus niets over de arbeidsomstandigheden en weinig over de kwaliteit. Het zegt alleen iets over de techniek, en zelfs dat niet altijd.

Interessanter vind ik wat de Nigeriaans-Amerikaanse ontwerper Zoë Chinonso Ene erover zegt. Zij is geen purist in de scheiding tussen hand en machine en ziet toekomst in werkplaatsen waar de helft met de hand gebeurt en de rest machinaal, met lokaal materiaal en uitwisseling van vaardigheden. Dat is ook precies het model waar de betere meubelfabrikanten al jaren op draaien, alleen zetten die het niet zo groot op hun website.

Wat dit voor je portemonnee betekent

Handwerk in de prijs terugzien is logisch, want uren zijn uren. Het wordt een probleem wanneer je alleen voor het woord betaalt. Een paar vragen halen het verschil er meestal uit. Waar is dit gemaakt, en kan de verkoper dat concreet beantwoorden. Is de onregelmatigheid functioneel, zoals een verbinding die je kunt navertellen, of is het decoratie. En kun je het over tien jaar nog laten herstofferen, bijschuren of opnieuw laten oliën. Dat laatste is voor mij het echte onderscheid, veel meer dan de vraag of er een mens of een machine aan te pas kwam.

Andu Masebo, een Londense ontwerper die in hout en metaal werkt, laat in het artikel trouwens de andere kant zien. Volgens hem verdienen maar weinig van zijn collega’s hun geld uitsluitend met het verkopen van wat ze zelf maken, en begonnen velen met maken omdat er simpelweg geen fabrikant te vinden was die hun ontwerp wilde produceren. De romantiek van het handwerk is dus deels gewoon een gebrek aan alternatieven, en dat is een nuchtere gedachte om mee te nemen naar de winkel. Welke stukken dat extra geld dan wel waard zijn, zetten we onlangs op een rij in dit overzicht van woonspullen die hun geld waard zijn.


Fenna Molenaar avatar

Geschreven door