Er zijn interieurideeën die nooit helemaal weggaan maar wel decennia slapen. De conversation pit is daar een van. Een verzonken zithoek, een paar treden lager dan de rest van de kamer, met banken die rondom in de vloer zijn ingebouwd. In de jaren vijftig en zestig stond hij in de huizen van architecten en filmsterren, daarna verdween hij bijna geruisloos. Nu duikt hij weer op, en het mooiste recente voorbeeld komt uit Californië.
Architectural Digest liet op 12 oktober een midcentury woning in Berkeley zien, gebouwd door de regionale architect Robert Ratcliff en nu opnieuw ingericht door Aquilo Interiors, met Butler Armsden als architectenbureau. De eigenaar is Andrew Sutherland, oprichter van de leersoftware Quizlet. Hij wilde een zithoek die naar een whiteboard kijkt, zodat vrienden samen aan lastige vraagstukken kunnen werken. Het resultaat is een verzonken zitkuil bekleed met chilirood velours, met een maanlamp die in het plafond is verzonken. Ontwerper Carmen René Smith wilde dat hij zich voelde alsof hij “zo de maan kon aanraken”.
Waar de zitkuil vandaan komt
Om te snappen waarom deze vorm terug is, helpt het om te weten waarom hij ooit zo populair was. De bekendste conversation pit ter wereld ligt in het Miller House in Columbus, Indiana, dat Eero Saarinen eind jaren vijftig ontwierp met textielontwerper Alexander Girard voor het interieur. Daar zit de kuil midden in een open woonruimte, met kussens in wisselende stoffen en een rand waarop je je kopje kwijt kunt. Het idee was dat een open plattegrond toch een plek nodig heeft waar je dicht bij elkaar zit. Door de zithoek te verlagen, maak je een kamer in de kamer zonder één muur te zetten.
Dat probleem herken ik in veel Nederlandse woonkamers van nu. We hebben de muren eruit gehaald, de keuken staat open, en dan blijkt er nergens een plek te zijn die als nest voelt. Ik schreef eerder al over afscheiding aanbrengen in een open plattegrond zonder te verbouwen, en de zitkuil is eigenlijk de radicaalste versie van dezelfde gedachte. Je gebruikt hoogteverschil in plaats van een kast of een gordijn.
In de jaren zeventig raakte de kuil uit de mode. Hij was lastig schoon te houden, je struikelde er gemakkelijk in, en zodra je slechter ter been werd, was het juist de plek waar je niet meer kwam. Bij een verbouwing werd hij vaak dichtgestort. Dat zijn nog steeds echte nadelen, en ze verklaren waarom de comeback zich vooral afspeelt in projecten met een groot budget.
Hoe ontwerpers hem nu vormgeven
Wat mij opvalt aan de woning in Berkeley is dat de zitkuil niet als museumstuk is nagebouwd. Smith koos een vloerbedekking die knipoogt naar het origineel en maakte er met dat rode velours een uitgesproken moment van. Elders in het huis staan een Portola-bank van Lawson-Fenning, vintage leren fauteuils in karamel en een maatwerk modulaire hoekbank die je in de loop van de avond kunt herschikken. Dezelfde gedachte dus, mensen rond elkaar laten zitten, maar dan op meerdere plekken en in verschillende vormen.
Dat zie je breder terug. De zitkuil van nu is vaker kleiner en minder diep, soms maar een of twee treden. De bekleding is zacht en warm, velours, wol of bouclé, en de kleur is uitgesproken. Rood, roest, olijf en oker zie je meer dan grijs. En de kuil krijgt een functie, zoals hier het whiteboard, een open haard of een raam met uitzicht. Een kuil zonder reden om erin te gaan zitten blijft leeg.
Het past ook bij de bredere trek naar lage, ronde en omarmende meubels. Ik zag het eerder bij de wolkbank en bij de opmars van ronde meubels. Mensen willen weer wegzakken.
De zitkuil in een Nederlands huis
Hier wordt het praktisch, en eerlijk gezegd ook een beetje ontnuchterend. Een echte verzonken zithoek betekent dat je de vloer verlaagt. In een woning met een kruipruimte of een betonvloer op palen is dat een constructieve ingreep waar een constructeur naar moet kijken, en in een appartement is het meestal onmogelijk. Wie nieuw bouwt of toch al de vloer openbreekt, kan het meenemen in het ontwerp. Voor de meeste mensen is dat geen realistische route.
Gelukkig zit het gevoel van een conversation pit niet alleen in die paar treden. Het zit in drie dingen die je wel kunt nadoen.
Het eerste is de omsluiting. Een U-vormige of ronde opstelling van banken, dicht op elkaar, met de ruggen naar buiten, geeft al een kamer in de kamer. Een lage modulaire bank zonder armleuningen werkt daar het best voor, omdat je de elementen in een kring kunt zetten.
Het tweede is de hoogte. Zitmeubels met een lage zithoogte en diepe zitting maken dat je anders zit, meer onderuit en dichter bij de grond. Combineer dat met een groot, dik vloerkleed dat de zithoek afbakent. Als je twijfelt over het soort kleed, lees dan mijn uitleg over platgeweven, hoogpolig of Berber. Voor een zitkuilgevoel kies ik zelf voor hoogpolig.
Het derde is de stof. Velours of wol in een diepe kleur maakt van een gewone bankopstelling meteen iets wat aan de jaren zestig doet denken. Wie het in Berkeley gezien heeft, snapt waarom Smith geen beige koos.
Een verhoogd podium rondom is overigens een slimme omkering. Zet je de rest van de zithoek een trede hoger, op een houten plateau, dan ontstaat hetzelfde hoogteverschil zonder te breken. Dat vraagt wel om genoeg plafondhoogte, en in een gemiddelde rijtjeswoning is dat krap.
Mijn conclusie is dat de conversation pit voor de meeste mensen geen verbouwing wordt maar een manier van opstellen. En misschien is dat precies de les uit dat huis in Berkeley. Het gaat er niet om dat je lager zit, maar dat je naar elkaar toe zit.
